Verklaring

Tweestammige Germ. naam uit regin- 'raad' (zie regin-) en -her 'heer, leger' (zie -her-). Heiligennaam: Reinier, in 1175 aartsbisschop van Spalato (Split in Dalmatië), gest. 1180; kerk. feestdag: 4 aug. Naam van prinsen van Monaco.

Naamstam regin-

Germaanse naamstam met oorspr. de betekenis `raad, raadsbesluit (der goden)'. Het heeft in namen echter nog slechts een versterkende betekenis, dus: `sterk, zeer' (vgl. enkele van de onderstaande voorbeelden), rein- werd tenslotte vermoedelijk opgevat als `rein, zuiver'. Aangezien het een onzijdig woord was, kwam het alleen als eerste lid in Germ. namen voor (m. namen hadden als tweede lid altijd een m. woord, vr. namen een vr. woord). Vgl. Got. ragin `raad, besluit', ragineis `raadgever, raadsheer'. In het Oudhoogduits alleen in eigennamen; Oudsaksisch regan-, regin-, rein-, rên-, versterkend in reginthiof `aartsdief'; Angelsaksisch reg(e)n, slechts met versterkende betekenis: regnthêof `aartsdief'; Oudnoors regin, rögn `de beslissenden, de goden'. Bij een Germ. wortel *reg- `ordenen', Indogerm. *rek-. Verwant buiten het Germ.: Oudind. racanam `ordenen, verrichten'; Russ. rok `noodlot'. Zie ook onder -rik-. Zie voor de overgang van egi- tot ei- bij eg-, Eibe en Raimund.

Naamstam -rik-

Germaanse naamstam met de betekenis `machtig, aanzienlijk' of `heerser'. Een van de meest voorkomende Germ. naamelementen. Het is reeds in de 1e eeuw v. Chr. bij Gri. en Lat. schrijvers aan te tonen en komt ook voor in Kelt. namen (zie hieronder). Van een Germ. zelfst. nw. en bijv. nw. *rîk(i)a; Got. *reiks `heerser, koning', *reikeis `machtig', eigennaam: *Frithareikeis, Oudhoogduits rîhhi, Middelhoogduits rîche, Nieuwhoogduits reich; Oudnederfrankisch rîki; Middelnederlands rîke `rijk, heerschappij' en `machtig, aanzienlijk, rijk, kostbaar'; Oudsaksisch rîki, `heerser' en `machtig'; Oudfries rîke, Nieuwfries ryk; Angelsaksisch rîce, Middelengels ryke `macht, regering, koninkrijk', rîce `machtig, sterk, rijk', Eng. rich; Oudnoors rîki, bijv. n.w. rîkr; Zwe. rike, rik, De. rige, rig. Aan het Germ. ontleend: It. ricco, Fra. riche `rijk'. In Oergerm. tijd is dit woord, waarschijnlijk via persoonsnamen, uit het Kelt. ontleend: *rîks. De Indogerm. wortel rêg- zou in het Germ. nl. bij gewone klankwettige ontwikkeling geen î opgeleverd hebben. Het is in oude Kelt. namen ook een veel voorkomend element. Twee voorbeelden zijn Dumnorix en Vercingetorix. Vgl. ook Kelt. *rig-, Iers rí `koning'. Verwant Oudindisch rajan en Lat. rex `koning', regere `richten, leiden'. In het oude continentale Kelt. onderscheidt men drie typen van namen met dit element: 1) namen zoals Albiorix, waarin -rix determinatief is in de betekenis van `koning over iets'; 2) namen als Adgennorix, waarin het element een uitbreiding is van een tweestammige naam zonder de bovengenoemde betekenis; 3) namen als Dagorix, waarin -rix een intensiverend element is met een adjectivische betekenis `machtig, groot, rijk aan of door iets'. Het Germ. zou de onder 1) en 3) vermelde betekenissen overgenomen hebben (zie, mede voor literatuuropgave: D. Ellis Evans, `Gaulish Personal Names', Oxford 1967, blz. 243 e.v.).